Openings tijden winkel

Dinsdag en woensdag van: 
13.00 tot 17.00 uur


Donderdag van: 
9.00 tot 12.00 uur

en van 13.00 tot 17.00 uur


Vrijdag van: 
9.00 tot 12.00 uur

en van 13.00 tot 17.00 uur


Zaterdag van: 
9.00 tot 17.00 uur



  • Collega's


Korenmolen Wilhelmina

Korenmolen Wilhelmina


 Ga naar de website 

Molen ABC


Moeilijke molenwoorden

  • Billen
    Scherp maken van de maalstenen.
  • Binnenkruier
    Molen met het kruiwerk in de kap.
  • Buitenkruier
    Molen met het kruiwerk buiten de kap. De kap wordt aan de buitenzijde met een houten staart op de wind gedraaid.
  • Gevlucht
    Het totaal van vier molenwieken.
  • Handmolen
    Molentje die met de hand bediend wordt.
  • Kap
    Bovenste deel van een molen. De kap kan draaien.
  • Kruien
    Wiekenkruis recht op de wind draaien.

Molen Peize (De PaiserMeul)
  • Ligger
    Onderste maalsteen. Deze steen ligt stil. 
  • Loper
    Bovenste maalsteen. Deze steen draait heen en weer. 
  • Luien 
    Ophijsen van bijvoorbeeld zakken graan. 
  • Maalstenen
    Stenen waartussen bijvoorbeeld het graan wordt gemalen. 
  • Molengang
    Een molengang (ook maalgang) is een aantal samenwerkende poldermolens voor het droogmaken en -houden van een polder. Door de maximale opvoerhoogte van ongeveer 1,50 meter per molenrad, was het bij diepere polders noodzakelijk dat het water in 'trappen' omhoog werd gebracht. De laagste molen schept het water naar de onderboezem; de hoogste molen schept het water naar de ringvaart. De 'molengang' kon bestaan uit twee trappen (tweegang) of drie trappen (driegang). Bij een driegang is er naast de onderboezem ook nog een tussenboezem. 
  • Molentaal
    Door de wieken van de molen in een speciale stand te zetten, kan de molenaar een boodschap vertellen. Er is bijvoorbeeld een speciale stand om duidelijk te maken dat de molenaar even pauze heeft. Ook is er een stand om duidelijk te maken dat er een kind is geboren. 
  • Mooimakersgoed 
    Mooimakersgoed zijn de spullen waarmee de molenaar de molen bij feestelijke gebeurtenissen versiert. Bij een huwelijk hing de molenaar bijvoorbeeld tussen de wieken een gelukszon, een hart, engelen en een bruidskroon. 
  • Onderkruier 
    Molen waarvan de hele romp door kruien op de wind kan worden gezet. 
  • Rosmolen 
    Molen waarbij de kracht om de molen te laten draaien, werd geleverd door een of meerder paarden. 
  • Scheprad
    Een scheprad is een werktuig waarmee het water bij een poldermolen wordt opgetild. 
  • Schoren 
    Balken waarop de staart van een molen leunt. 
  • Staart
    Balk. De balk loopt vanaf de molenkap naar beneden tot bijna op de grond of de stelling. Aan de balk zitten de schoren vast. 
  • Stelling
    houten omloop rond hoge windmolens. Vanaf de stelling kunnen de wieken bediend worden. 
  • Vang 
    Rem van een windmolen. De vang grijpt om het bovenwiel. 
  • Vangen
    Stilzetten van de molen. 
  • Vijzel
    De vijzel is een soort schroef. Het water wordt door de schroef van laag naar hoog gebracht. De eerste vijzels waren van hout. Sinds 1900 zijn er ook stalen vijzels. 
  • Watermolen
    Molen die gaat draaien dankzij de kracht van het stromend water. 
  • Wiekenkruis 
    Gevlucht van een windmolen. Het wiekenkruis bestaat uit een askop met vier wieken. 
  • Windmolen
    Molen die gaat draaien dankzij de kracht van de wind. 
  • Zwichten 
    Het aanpassen van de zeilvoering op de wieken. De zeilvoering moet aangepast worden als de windkracht of de windrichting is veranderd. Bij sterkere wind: zeil minderen, bij zwakkere wind: meer zeil spannen